Een vraag? Een suggestie?

Interesse?

Wenst u toegang tot de praktijkinformatie, het nieuws, nieuwsbrieven en tijdschriften, rechtspraak en wetgeving van Assuropolis? Of wilt u de adressendatabank van de verzekeringssector kunnen doorzoeken? 
Kies de module(s) of het pakket op maat van uw kantoor en bestel vandaag nog.




“A-A-B” en “AB-AB-C”-verzekeringen: een artikel van kantoor Tiberghien over het nieuwe huwelijksvermogensrecht en successierecht

Nieuws - 16/11/2018
-
Auteur(s) 
Erik Roelants


Het nieuwe huwelijksvermogensrecht is op 1 september 2018 in werking getreden. In het geval van de individuele levensverzekering is het huwelijksvermogensrechtelijk statuut nu afhankelijk van het gegeven of de verzekeringsprestatie al dan niet bij ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel verschuldigd is. Bij de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel door overlijden heeft dat uiteraard ook fiscale implicaties.

Het kantoor Tiberghien analyseert de burgerlijk en fiscale aspecten (op basis van de Vlaamse Codex Fiscaliteit) in de gevallen waar

  • de echtgenoten gehuwd zijn onder het wettelijk stelsel;
  • het een individuele levensverzekering betreft, bijvoorbeeld van het type tak 21 of tak 23;
  • de individuele levensverzekering werd afgesloten tijdens het huwelijk;
  • de premies betaald werden met gemeenschapsgelden, hetgeen bovendien voor betalingen tijdens het huwelijk vermoed wordt;
  • de echtgenoten geen afwijkende bepalingen hebben omtrent de vergoedingsplicht opgenomen in hun huwelijkscontract.

Het nieuwe huwelijksvermogensrecht maakt een onderscheid tussen drie situaties.

Situatie 1: uitkering van de verzekeringsprestatie tijdens het stelsel

De verzekerde prestatie verbonden aan een individuele levensverzekeringsovereenkomst die tijdens het stelsel aan een van de echtgenoten uitgekeerd wordt, is gemeenschappelijk conform artikel 1405 § 1, 8 BW. Voormeld artikel preciseert hierbij nog dat indien de prestatie:

  • als kapitaal wordt uitbetaald, het volledige bedrag ervan gemeenschappelijk is;
  • als rente wordt uitbetaald, zowel de rentebedragen die tijdens het stelsel zijn uitbetaald als de reserve die overeenstemt met na de ontbinding van het stelsel nog verschuldigde rentes, gemeenschappelijk zijn.
Situatie 2: uitkering van de verzekeringsprestatie bij de ontbinding van het stelsel

De verzekerde prestatie verbonden aan een individuele levensverzekeringsovereenkomst die door een van de echtgenoten tijdens het stelsel is gesloten, en die bij de ontbinding van het stelsel verschuldigd is:

  • ten voordele van die echtgenoot, is eigen met vergoeding conform artikel 1400,7 van het Burgerlijk Wetboek;
  • ten voordele van de andere echtgenoot, is eigen zonder vergoeding conform artikel 1401 § 2, 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Situatie 3: geen uitkering bij de ontbinding van het stelsel

Als de verzekeringsprestatie niet verschuldigd is bij de ontbinding van het stelsel, is de vorderbare netto-afkoopwaarde eigen aan de onderschrijvende echtgenoot/verzekeringnemer, mits vergoeding conform artikel 1400,6 van het Burgerlijk Wetboek.

Indien het stelsel wordt ontbonden door overlijden van een echtgenoot, wat zijn dan de fiscale gevolgen bij het overlijden van de eerststervende echtgenoot, de latere afkoop door de langstlevende echtgenoot en het overlijden van de langstlevende echtgenoot.


Men moet vaststellen dat in het successierecht (artikel 2.7.1.0.6 Vlaamse Codex Fiscaliteit) andere principes worden gerespecteerd dan in het huwelijksvermogensrecht. De toegepaste fiscale principes zijn de volgende.

  1. De sommen, renten of waarden die kosteloos toekomen aan een persoon (B) door het overlijden van erflater (A), ingevolge een contract gesloten door erflater (A) ten gunste van (B) worden geacht als legaat te zijn verkregen door die persoon (B) conform artikel 2.7.1.0.6 § 1, lid 1.
  2. Indien de erflater een contract heeft afgesloten op grond waarvan pas een uitkering kan gebeuren na zijn overlijden, worden de sommen, rente of waarden geacht als legaat te zijn verkregen:
·  door de persoon die het contract afkoopt, op het tijdstip van de afkoop;
·  door de persoon die ze effectief verkrijgt, op het tijdstip dat de uitkering gebeurt.

Wanneer de erflater gehuwd was onder een stelsel van gemeenschap, geldt dit ook voor de sommen, renten of waarden die kosteloos aan de langstlevende echtgenoot toekomen ingevolge een levensverzekeringscontract dat door de langstlevende echtgenoot zelf (dus in zijn eigen voordeel) is afgesloten. In dat geval - dus als de erflater gehuwd was onder een stelsel van gemeenschap van goederen - worden de sommen, renten of waarden die aan zijn echtgenoot toevallen, belast:

  • voor het volledige bedrag, als ze zijn verkregen als tegenwaarde voor eigen goederen van de erflater;
  • niet belast als bewezen wordt dat zij verkregen zijn als tegenwaarde voor eigen goederen van de echtgenoot;
  • voor de helft, in alle andere gevallen.

Dat het beding wederkerig is, ontneemt daaraan volgens de tekst van de wet niet de aard van bevoordeling.

In het geval van een verzekeringsgift aan de uiteindelijke begunstigde wordt de belastbare grondslag verminderd met het bedrag waarop de schenkbelasting geheven werd.

Laten we nu proberen om die principes, zowel civiel als fiscaal, toe te passen op twee soorten van individuele levensverzekeringen:

  1. de A-A-B verzekering: bijvoorbeeld de verzekering afgesloten door echtgenoot A op zijn eigen hoofd, ten voordele van echtgenoot B;
  2. de AB-AB-C verzekering: bijvoorbeeld de verzekering afgesloten door 2 echtgenoten op het hoofd van de langstlevende van hen beiden, ten voordele van hun zoon.
A-A-B-verzekering

Nemen we eerst de meest klassieke polis, zijnde de A-A-B-verzekering afgesloten door echtgenoot A op zijn eigen hoofd ten voordele van echtgenoot B. Bij het overlijden van de onderschrijver van de polis (echtgenoot A) komt het verzekeringskapitaal tot uitkering, vermits hij ook het verzekerd hoofd was. Burgerrechtelijk komt de verzekeringsprestatie toe aan de andere echtgenoot B, in principe zonder vergoeding vermits hier op grond van artikel 1401 § 2,2 van het Burgerlijk Wetboek de “voorzorgsgedachte” speelt. Aangezien de premies met gemeenschapsgelden werden betaald, zal de helft van de uitgekeerde verzekeringsprestatie belast worden met successierecht in hoofde van de verkrijgende echtgenoot B. Bij het overlijden van de andere echtgenoot (B) komt de levensverzekering niet tot uitkering. Echtgenoot A behoudt alle rechten verbonden aan de levensverzekering (waaronder het recht van afkoop) aangezien hij enige verzekeringsnemer is.

Burgerrechtelijk is de vorderbare netto-afkoopwaarde eigen van echtgenoot A, met vergoeding (artikel 1400, 6 van het Burgerlijk Wetboek). Bij het overlijden van echtgenoot B is aldus een vergoeding verschuldigd door echtgenoot A, omdat deze gemeenschapsgelden aangewend heeft ter onderschrijving van de polis. Deze vergoeding zal belastbaar zijn met successierecht, tenzij er gemeenschappelijke kinderen zijn, wat hier het geval is (zoon C).

Bij het overlijden van A (en voor zover A uiteraard niet tijdens zijn leven niet tot afkoop is overgegaan) zal de begunstigde die de verzekeringsprestatie effectief verkrijgt, aldus kantoor Tiberghien, in zijn geheel belast worden in de nalatenschap van A.

Bij afkoop van de polis na het overlijden van B door A zal de uitkering voor de helft belast worden in de nalatenschap van B: het gaat immers om een erflater, die gehuwd was onder een stelsel van gemeenschap, en de premies zijn betaald met gemeenschapsgelden.

AB-AB-C-verzekering

Veronderstel nu dat de polis werd afgesloten door 2 echtgenoten, A en B, op het hoofd van de langstlevende van hen beiden, ten voordele van hun zoon C.

1. Met overdracht van rechten aan de langstlevende

Indien de polis een clausule van overdracht van rechten aan de langstlevende bevat, zullen bij het overlijden van de eerststervende echtgenoot A al zijn rechten van verzekeringnemer (waaronder het recht van afkoop) overgaan op echtgenoot B. Deze clausule van overdracht van rechten moet wel expliciet opgenomen zijn in het verzekeringscontract.

Bij het overlijden van de eerststervende (A) komt de polis niet tot uitkering. Door de clausule van overdracht van rechten krijgt de polis wel een B-B-C-constellatie. De langstlevende echtgenoot B kan dus onder meer tot afkoop overgaan.

Burgerrechtelijk zal bijgevolg, op grond van artikel 1400,6 van het Burgerlijk Wetboek, de vorderbare netto-afkoopwaarde eigen zijn aan de onderschrijvende echtgenoot (verzekeringnemer), mits vergoeding. In dit geval werd de polis door beide echtgenoten onderschreven, zowel door echtgenoot A als door echtgenoot B. Wanneer dus aangenomen wordt dat door het artikel de oorspronkelijke onderschrijvende echtgenoten (verzekeringnemers) bedoeld worden - wat grammaticaal de correcte interpretatie lijkt -, zou er door beide echtgenoten vergoeding verschuldigd zijn aan het gemeenschappelijk vermogen. De vergoeding is gelijk aan de vorderbare netto-afkoopwaarde en de facto bestaat die alleen in hoofde van de langstlevende. Een andere mogelijke interpretatie zou zijn dat het niet gaat om een verzekering die “door één van de echtgenoten” is afgesloten; vermits zij per hypothese door beide echtgenoten is afgesloten. In dat geval zou dus noch artikel 1400, 7, noch artikel 1401 § 2, 2° van het Burgerlijk Wetboek toepasselijk zijn, en zouden zowel de bestuursrechten (titre) als vermogensrechten (finance) gemeenschappelijk

De Memorie van Toelichting bevat hier echter een verduidelijking en stelt het volgende:

In dergelijk geval heeft verzekeringnemer B de mogelijkheid om alleen alle rechten als verzekeringnemer uit te oefenen. Hij zal onder meer in staat zijn om de verzekering af te kopen of om de begunstigde te wijzigen. Dit betekent dat de levensverzekering een vorderbare afkoopwaarde heeft, die vanaf dan als een eigen goed van B wordt beschouwd, mits vergoeding voor de premies betaald met gemeenschapsgelden. Deze situatie valt bijgevolg onder de regel die dit wetgevend initiatief in artikel 1400,6 van het Burgerlijk Wetboek voorziet.

Concreet betekent dit dat op basis van de Memorie van Toelichting de netto-vorderbare afkoopwaarde burgerrechtelijk een eigen goed is van B, met vergoeding voor de premies betaald met gemeenschapsgelden (artikel 1400,6 van het Burgerlijk Wetboek).

Voor de heffing van het successierecht zal die vergoeding vrijgesteld worden, gelet op het feit dat er een gemeenschappelijk kind (zoon C) is.

Bij de afkoop nadien door B is successierecht verschuldigd door B in de nalatenschap van A, op het tijdstip van de afkoop. Deze afkoop zal voor de helft belast worden in de nalatenschap van A. Het gaat immers om een erflater, die gehuwd was onder een stelsel van gemeenschap, en de premies werden betaald met gemeenschapsgelden.

Bij overlijden van B nadien zal de uitkering aan zoon C belast worden in de nalatenschappen van A en van B, elk voor de helft. De Vlaamse Belastingdienst heeft dit ook bevestigd door Standpunt nr. 17016.

2. Zonder overdracht van rechten aan de langstlevende

Indien er geen clausule van overdracht van rechten in het verzekeringscontract opgenomen is, is de situatie anders. Bij het overlijden van de eerststervende (A) komt de polis niet tot uitkering. Aangezien er geen clausule van overdracht van rechten opgenomen is, is de polis de facto geblokkeerd tot bij het overlijden van echtgenoot B.

Burgerrechtelijk heeft deze blokkering tot gevolg dat de levensverzekering wel een afkoopwaarde heeft, maar dat deze niet vorderbaar is aangezien de levensverzekering de facto niet kan worden afgekocht. Vanuit huwelijksvermogensrechtelijk oogpunt kan de afkoopwaarde dus niet als een eigen goed (van B) worden beschouwd. Daarentegen moet de levensverzekering beschouwd worden als een schenking van de echtgenoten A en B samen aan begunstigde zoon C, voor zover de constitutieve bestanddelen van een schenking vervuld zijn (zijnde, volgens de memorie van toelichting, verarming van de schenker, verrijking van de begiftigde en de intentie om te begiftigen).

Gelet op het gebrek aan netto-vorderbare afkoopwaarde in deze hypothese, is er dus bijgevolg ook geen vergoeding verschuldigd aan het gemeenschappelijk vermogen.

Bij overlijden van B nadien zal de uitkering aan zoon C belast worden in de nalatenschappen van A en van B, op basis van artikel 2.7.1.0.6 § 1, 3e van de Vlaamse Codex Fiscaliteit: het gaat immers om een erflater, die gehuwd was onder een stelsel van gemeenschap, en de premies zijn betaald met gemeenschapsgelden.

Conclusie

De burgerrechtelijke en fiscale behandeling lopen behoorlijk uiteen. Dat maakt de materie van de individuele levensverzekeringen er zeker niet eenvoudiger op.

Op burgerrechtelijk vlak wordt bij ontbinding van het stelsel door overlijden onmiddellijk de vorderbare netto-afkoopwaarde (voor zover die er is) door middel van vergoedingen in rekening gebracht. De latere afkoop van de levensverzekering door de overlevende echtgenoot en de latere effectieve uitkering van het verzekeringskapitaal aan de begunstigde hebben geen verdere gevolgen. Dat heeft als voordeel dat de huwelijksgemeenschap vereffend kan worden, en daardoor ook de nalatenschap, zonder dat dit herberekening van de inbreng en inkorting noodzakelijk maakt.
Nadeel hiervan is wel dat de overlevende echtgenoot voor de berekening van zijn of haar rechten in de huwelijksgemeenschap beschouwd wordt als titularis van het verzekeringskapitaal, ook al gaat zij nadien niet over tot afkoop. Afhankelijk van de specifieke situatie en de intenties van de echtgenoten, kan hiervoor wel een afwijkende regeling in het huwelijkscontract voorzien worden.

Op het gebied van successierecht volgt men in principe de burgerrechtelijke regels wat de vergoeding betreft: deze maken immers deel uit van het gemeenschappelijk vermogen, en daardoor ook van de nalatenschap. Wanneer er echter gemeenschappelijke kinderen zijn, dan wordt deze vergoeding fiscaal verwaarloosd op grond van artikel 2.7.3.2.7 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit. De Vlaamse Belastingdienst aanvaardt dit in zijn Standpunt nr. 18067 ook indien er geen gemeenschappelijke kinderen zijn en op voorwaarde dat de vergoedingsrekening niet wordt opgemaakt, doch het zou aangewezen zijn om dit decretaal te verankeren.

In tegenstelling tot wat geldt op burgerrechtelijk vlak, zijn de afkoop nadien door de langstlevende echtgenoot en de uitkering van het verzekeringskapitaal aan de begunstigde fiscaal zeker geen non-event. Integendeel, zij vormen het belastbaar moment.


Bron:  Artikel van Murielle Gijbels en Rik Deblauwe